Rechtbank Den Haag onderbouwt uitspraak met vrouwenverdragen
Op 10 juni 2025 doet de rechtbank Den Haag een betekenisvolle uitspraak in de zaak van Christina en haar man. Het gezin heeft opvolgende asielaanvragen ingediend. Centraal staat het relaas van Christina, die stelt door leden van een extremistisch groep te zijn mishandeld en verkracht. De staatssecretaris acht het seksuele geweld wel geloofwaardig, maar vindt de toedracht en de daders ongeloofwaardig. Ook weigert deze de kosten voor het door Christina overgelegde iMMO‑onderzoek te vergoeden.
De rechtbank benadrukt in deze uitspraak het belang van deskundige forensisch‑medische beoordeling, zeker wanneer sprake is van ernstig seksueel geweld en psychische problematiek. Zij bevestigt expliciet dat medisch‑forensische bevindingen nooit als binair bewijs (wel/geen bewijs) mogen worden beoordeeld, maar altijd als steunbewijs moeten worden meegewogen. De IND had zelf bovendien geen deskundigenonderzoek laten verrichten om de bevindingen van iMMO te weerleggen. Daarom kan de staatssecretaris het relaas van eiseres niet ongeloofwaardig achten zonder schending van de eigen onderzoekplicht.
Bijzonder aan deze uitspraak is dat de rechtbank stelt dat het seksuele geweld had moeten worden aangemerkt als een zelfstandig asielmotief. De rechtbank verwijst daarbij uitvoerig naar internationale normen, waaronder CEDAW General Recommendation 32 en de Istanbul‑Conventie. Volgens deze verdragen moeten asielautoriteiten gendergerelateerd geweld altijd grondig en gendersensitief beoordelen. De rechtbank onderstreept dat dit geldt voor vrouwen én mannen, omdat schaamte, stigma en trauma het verklaren vaak ernstig bemoeilijken.
Daarmee volgt de rechtbank de lijn dat het ondergane geweld op zichzelf al kan nopen tot vluchtelingenstatus, subsidiaire bescherming of bescherming op humanitaire gronden. Dat had verweerder niet onderzocht, wat de besluitvorming onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd maakt.
Ook op het punt van de opvolgende aanvragen gaat de rechtbank diep in op de werkwijze van de IND. In plaats van alle oude en nieuwe bewijsmiddelen in samenhang te beoordelen, keek de IND uitsluitend of nieuwe stukken “ten opzichte van” het eerdere besluit iets veranderden. De rechtbank stelt dat dit onjuist is: bij een opvolgende aanvraag moeten alle bewijsmiddelen uit alle procedures als één geheel worden beoordeeld.
Een tweede cruciaal onderdeel van de uitspraak is dat de rechtbank oordeelde dat de IND de iMMO‑kosten ten onrechte had geweigerd, omdat dit beleid geen rekening houdt met getraumatiseerde vreemdelingen die vaak pas later in staat zijn tot verklaren of specialistisch onderzoek; het onderzoek was bovendien noodzakelijk doordat de IND zelf geen medisch onderzoek verrichtte terwijl eiseres’ psychische klachten haar verklaringsvermogen beperkten. De rechtbank verplichtte daarom volledige vergoeding. Tot op de dag van vandaag is de IND nog niet tot betaling overgegaan.
De IND moet opnieuw beslissen op de asielaanvragen, met inachtneming van de iMMO‑rapportage, het seksuele geweld als zelfstandig motief, een juiste samenhangende bewijsbeoordeling en een volledig nieuw gehoor over politieke overtuiging.
Deze uitspraak vormt een stevig precedent voor het belang van gendersensitieve beoordeling van seksueel geweld alsook voor de erkenning van iMMO als deskundige instantie.
Lees de inhoudelijke casus hier.
(* Namen zijn gefingeerd)
