De B-vraag en de Afdelingslijn: geen generieke toepassing

Rechtbank Den Haag oordeelt in de zaak van Laila dat de IND de iMMO-conclusie over het vermogen om te verklaren niet zonder nadere motivering terzijde kan schuiven, wanneer deze conclusie concreet is onderbouwd en op de persoon is toegespitst. Dit brengt mee dat de IND moet motiveren wat de vastgestelde beperkingen betekenen voor de waardering van vermeende inconsistenties in de verklaringen. Indien de IND twijfelt aan de kwaliteit van het onderzoek of de conclusie, ligt het op haar weg om die twijfel expliciet en concreet te onderbouwen.

Op 11 maart 2026 deed de rechtbank Den Haag, een richtinggevende uitspraak over de juridische betekenis van de zogenoemde B-vraag in iMMO-rapportages, in het bijzonder in het licht van recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. De zaak betreft Laila, een Eritrese vrouw die stelt dat zij tijdens dienstplicht langdurig seksueel misbruikt is door haar leidinggevende. Zij heeft daarom Eritrea verlaten en vreest bij terugkeer voor bestraffing wegens desertie en illegale uitreis. Haar asielaanvraag werd afgewezen als kennelijk ongegrond en haar relaas ongeloofwaardig geacht. 

Centraal in de uitspraak staat de vraag in hoeverre de minister de conclusie van het iMMO over het verklaringsvermogen van eiseres (de B-vraag) naast zich neer mag leggen. De Afdeling oordeelde op 2 april 2025 dat dergelijke conclusies onvoldoende inzichtelijk kunnen zijn indien niet blijkt dat zij zijn gebaseerd op een individueel toegespitste beoordeling. De rechtbank erkent dit kader, maar benadrukt dat deze kritiek niet generiek toepasbaar is op alle iMMO-rapportages.

In de voorliggende zaak oordeelt de rechtbank dat het iMMO-rapport wél voldoet aan de door de Afdeling gestelde eisen. De conclusie over de beperkingen in het verklaringsvermogen is volgens de rechtbank gebaseerd op een concrete en op de persoon toegespitste analyse. Daarmee kan de minister deze conclusie niet zonder nadere motivering terzijde schuiven.

Dit betekent een belangrijke nuancering: de Afdelingsjurisprudentie van 2 april 2025 vormt geen vrijbrief om iMMO-bevindingen over de B-vraag standaard te relativeren. Integendeel, per geval moet worden beoordeeld of het rapport voldoende inzichtelijk en individueel is gemotiveerd. Indien dat het geval is, moet deze volwaardig worden betrokken bij de besluitvorming.

De rechtbank verbindt hieraan directe gevolgen voor de motiveringsplicht van de minister. In dit geval heeft de minister de relevante medische rapportages wel weergegeven, maar niet kenbaar betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid. Met name is niet gemotiveerd wat de vastgestelde beperkingen in het verklaringsvermogen betekenen voor de waardering van vermeende inconsistenties in de verklaringen van betrokkene. Daarmee heeft de minister gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.

Van belang is dat de rechtbank de B-vraag nadrukkelijk positioneert als een kernonderdeel van de bewijswaardering. Indien een deskundige gemotiveerd concludeert dat het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren is beperkt, heeft dit directe gevolgen voor de toepassing van de geloofwaardigheidstoets. Het is dan niet toegestaan om zonder nadere duiding dezelfde eisen aan verklaringen te stellen als in reguliere gevallen.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat, indien de minister twijfels heeft over de methodologische kwaliteit of de individualisering van een iMMO-rapportage, het op zijn weg ligt om dit expliciet en concreet te onderbouwen. In deze zaak is dat niet gebeurd. De minister heeft niet gemotiveerd dat de conclusie over de B-vraag onvoldoende op eiseres was toegespitst, terwijl uit het rapport juist volgt dat deze conclusie uitgebreid is gebaseerd op haar persoonlijke situatie. Juist onder die omstandigheden is het passeren van de conclusie juridisch onhoudbaar.

De uitspraak laat zien dat de door de Afdeling op 2 april 2025 geformuleerde kritiek op de B-vraag niet zonder meer algemeen toepasbaar is. Of een iMMO-conclusie over het verklaringsvermogen gewicht toekomt, hangt af van de mate waarin deze concreet en individueel is gemotiveerd. Indien daarvan sprake is, moet de minister deze conclusie kenbaar betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid. Het nalaten daarvan leidt tot een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.

De IND moet een nieuw besluit nemen.

Lees hier de medische casus